Dierentuin

Slaap beestje slaap…

Een eerste bezoek aan de dierentuin is spannend als je een klein mensje bent, en misschien ook nog wel als je groot bent. Je komt oog in oog te staan met wilde exotische dieren waarvan je weet dat deze gevaarlijk kunnen zijn. Het feit dat ze achter glas, een hek, een gracht of in een kooi zitten, doet niets af van het feit dat ze je kunnen verwonden of zelfs doden als ze kans zouden krijgen. Wie herinnert zich Bokito nog?

Mijn ouders hadden vroeger een abonnement op de dierentuin in Emmen waardoor we deze regelmatig hebben bezocht. De eerste keer waren mijn broer en ik nog klein en we vonden het allebei heel erg spannend. We hadden geen idee wat we konden verwachten. Bij binnenkomst vroeg mijn broer voorzichtig aan mijn ouders hoe laat het park dicht zou gaan. Zijn grootste angst was om opgesloten te worden in een park vol met wilde dieren. Maar na het zien van de olifanten was hij verkocht. Bijna iedereen heeft wel favoriete dieren waar hij graag naar kijkt. Ondeugende aapjes – die soms sterk doen denken aan onszelf of mensen die we kennen, waggelende pinguïns, gapende leeuwen, slungelige giraffen, macho gorilla’s etc. Er is voor elk wat wils. 

Lang geleden bezocht ik met mijn familie tijdens een vakantie in Engeland het landgoed Longleat dat in Wiltshire ligt. Longleat is in het bezit van de zevende markies van Bath. Een bijzondere en excentrieke Lord. Longleat is een landhuis met een landgoed met daarop een dierentuin en een safari park. Het safari park is in 1966 opgericht en viert dit jaar dus het vijftigjarig bestaan. Longleat zou het eerste drive-through safari park buiten Afrika zijn. Het park huisvest onder andere olifanten, zebra’s, wolven, leeuwen, tijgers, neushoorns, jachtluipaarden, pinguïns, zeeleeuwen, gorilla’s en nog heel veel meer.

Grenzend aan de dierentuin en het safari park ligt een camping van de Caravan Club. Het leek mijn ouders leuk om daar een nachtje te blijven na het bezoek aan de dierentuin en het safari park. Mijn ouders sliepen in de caravan en mijn broer en ik lagen in een tentje. Het is een van de meest verontrustende nachten van mijn leven geweest door alle geluiden die vanuit de aangrenzende dierentuin en safaripark tot ons kwamen. Het gebrul van leeuwen en tijgers. Zelfs de zeeleeuwen brulden. Mijn moeder zei nog vol optimisme dat de dieren wel stil zouden worden zodra het donker werd. Helaas. Het bleef rumoerig in het park. Het idee dat mijn broer en ik in een tentje lagen terwijl er wilde dieren op het naastliggende terrein ronddoolden, bezorgde mijn moeder en mij dezelfde nare droom: een nagel die door het tentdoek stak en de tent heel langzaam naar beneden opensneed. Ik was blij toen het eindelijk ochtend was en we naar onze volgende bestemming konden afreizen.

Ik ben gek op dieren en ik vind wilde dieren schitterend om naar te kijken, maar dan wel vanaf een veilige afstand. Ik hoef niet naast een dierentuin of in een safari park te logeren en ik hoef ook geen wilde dieren te horen als ik wil slapen. Aan mijn eigen huistijger (de kat) heb ik meer dan genoeg.


Oudheid

De mens lijkt altijd al de behoefte te hebben gehad om dieren te houden. Al in de Oudheid werden dieren gevangen en opgesloten en voor verschillende doeleinden gebruikt. Sommige dieren werden als huisdieren gehouden, andere dieren werden verzameld en als het ware tentoongesteld, en weer andere dieren werden ingezet voor vermaak zoals sport, jacht of spelen.

De oudst gevonden zoölogische verzameling werd tijdens een archeologische opgraving in 2009 in Egypte ontdekt. Hier is een menagerie gevonden die uit circa 3500 voor Chr. stamt. Een menagerie is een privécollectie van dieren. Het waren vooral koningen en hele rijke aristocraten die hun eigen menagerieën hadden. De dieren werden gehouden voor status en voor vermaak. Deze Egyptische menagerie bestond uit verschillende exotische dieren zoals nijlpaarden, olifanten, bavianen en wilde katten.

In de vierde eeuw voor Chr. bestonden er al een soort dierentuinen in veel Griekse stadsstaten. Alexander III van Macedonië, beter bekend als Alexander de Grote (356 – 323 voor Chr.), zou verschillende soorten dieren naar Griekenland hebben gestuurd die hij tegenkwam op zijn reizen en militaire expedities. Deze dieren werden gevangen en in Griekenland tentoongesteld. De Grieken keken al naar dieren vanuit een zekere wetenschappelijke interesse. Dit zien we pas vanaf de achttiende eeuw (de Verlichting) weer terug.

Voor de Romeinen waren dieren vooral een symbool van macht. Veel Romeinse keizers hadden dieren in privéverzamelingen. Deze dieren werden niet alleen bekeken en bestudeerd, ze konden ook worden ingezet om in de arena te vechten tijdens de spelen. Het was puur volksvermaak om zowel dieren als mensen te zien vechten tot de dood. Uit het hele Romeinse Rijk werden dieren gevangen en ingezet tijdens de spelen. Voor de spelen die in Rome werden gehouden werden de dieren naar Ostia verscheept, een havenstad vlak bij Rome. Hierna werden ze naar Rome gebracht waar ze in leven werden gehouden in kooien onder de arena.

venationes2
Reliëf van venationes. Bestiarii strijden tegen wilde dieren.

Bij de opening van het Amphitheatrum Flavium (het Colosseum) in het jaar 80, werden spelen georganiseerd die maar liefst honderd dagen duurden. Tijdens deze openingsspelen zijn op één dag 5000 wilde dieren en 4000 tamme dieren afgeslacht door zowel mannelijke als vrouwelijke bestiarii, dit zijn dierenvechters. Het dagprogramma van de spelen bestond vaak uit drie delen. ’s Ochtends werd begonnen met de venationes, dit is Latijn voor jachtpartij. De arena werd ingericht met rotspartijen en struiken om er een echte jacht van te maken. Mannelijke en soms ook vrouwelijke bestiarii moesten het opnemen tegen verschillende diersoorten. Dieren konden ook tegen elkaar worden ingezet om te zien welk diersoort sterker was. Tussen de middag waren er executies waarbij er onder andere veroordeelde gevangen voor de wilde dieren werden gegooid – damnatio ad bestias. ’s Middags was het hoogtepunt van het programma en vonden de gladiatorengevechten plaats. Dit waren de man-tegen-mangevechten.

Damnatio ad bestias
Damnatio ad bestias. Mozaïek, Museum of El Djem Tunesië, 3e eeuw. Foto: Rached Msadek.

De negentiende eeuwse Ierse historicus William Edward Hartpole Lecky (1838 – 1903) schreef over de Romeinse spelen: ‘Op een moment rolden een beer en een stier die aan elkaar waren geketend, vechtend door het zand… Vierhonderd beren werden op een dag gedood onder keizer Caligula… Onder keizer Nero vochten vierhonderd tijgers met stieren en olifanten… Vijfduizend wilde dieren kwamen op één dag om op de dag van de wijding van het Colosseum door keizer Titus… Onder keizer Trajanus werden leeuwen, tijgers, olifanten, neushoorns, nijlpaarden, giraffen, stieren, herten, krokodillen en slangen ingezet om van de spelen een nog groter spektakel te maken.’

In 523 werden de laatst bekende venationes gehouden. Er werd niet langer gejaagd op dieren om deze in de arena’s te laten vechten. Hierdoor kregen dierenpopulaties de kans zich te herstellen. Duizenden dieren zijn omgekomen ter vermaak en hierdoor werden sommige diersoorten zelfs met uitsterven bedreigd. Nu er een einde was gekomen aan de waanzin, kregen al deze dieren weer een kans.

Menagerieën

In de Middeleeuwen werden er in Europa ook allerlei dieren gehouden. Het houden van dieren bleef iets voor de elite. De dieren konden voor verschillende doeleinden worden gebruikt. Sommige dieren werden gehouden speciaal voor de jacht. Niet alleen dieren waarop gejaagd kon worden, maar ook dieren waarmee gejaagd kon worden zoals de valk. De valkenjacht was een populaire sport voor de elite. In de middeleeuwen werden er overal omheiningen voor dieren geplaatst speciaal bedoeld voor jachtdoeleinden. Naast de jacht en consumptie was ook het tentoonstellen van dieren belangrijk.

Menagerieën waren vooral verbonden aan koninklijke en aristocratische hoven. Een menagerie was vaak gevestigd in een van de tuinen of een park van het paleis. Het was een manier om weelde en macht te tonen aan familie en gasten. Levende wilde dieren waren zeldzaam, moeilijk te krijgen en duur in onderhoud. Een spectaculaire manier om indruk te maken, want dat was waar het uiteindelijk allemaal om te doen was. Menagerieën hadden geen wetenschappelijk of educatief doel.

Een van de meest bekende menagerieën is de koninklijke menagerie van Engeland. Koning Henry III van Engeland (1207 – 1272) hield een verzameling van dieren bij zijn paleis in Woodstock. Hij zou hier onder andere leeuwen, luipaarden en kamelen hebben gehouden. Henry kreeg in 1235 een huwelijksgeschenk van drie luipaarden van Fredrik II, keizer van het Heilige Roomse Rijk (1194 – 1250) voor zijn verzameling. De meest prominente dierencollectie werd gehouden in de Tower van Londen. Deze menagerie werd in 1204 opgericht door koning John I van Engeland (1166 – 1216).

Menagerie Tower of London 15e eeuw
Menagerie van de Tower in Londen, 15e eeuw.

De populariteit van menagerieën bij de elite blijkt ook uit het feit dat in de zestiende eeuw veel Italiaanse aristocraten in de tuinen van hun residenties aan de rand van de stad ook exotische dieren gingen houden. De echte bloei van menagerieën kwam nadat koning Lodewijk XIV van Frankrijk (1638 – 1715) van het jachtpaviljoen in het park van Versailles in 1662 een omheind complex liet bouwen voor het houden van exotische dieren.

De koninklijke menagerie van Versailles was het eerste grote bouwproject van Lodewijk XIV. Het is gebouwd in 1664, het jaar dat ook de eerste dieren er werden gehuisvest. Het was in 1670 pas helemaal klaar. De menagerie die aan de zuidwestkant van het park lag, was in de barokstijl gebouwd. In het centrum van de menagerie stond een paviljoen en eromheen liep een wandelpad. Buiten de wandelpaden waren allerlei omheiningen en kooien geplaatst. Iedere omheining had aan één kant een huis, stal of kooi voor de dieren, de overige drie zijden waren muren. Dit ontwerp bleek populair bij de vorstenhuizen van Europa en zou in ieder geval worden overgenomen door de Habsburgers in Schönbrunn, Wenen.

Menagerie Versailles 17e eeuw
Menagerie van Versailles, 17e eeuw.

De laatste Nederlandse stadhouder Willem Batavus V (1748 – 1806) had een menagerie bij het Kleine Loo in Den Haag. Willem had een verzameling dieren van zijn vader geërfd waaronder een collectie van exotische vlinders. De meeste dieren van zijn menagerie waren schenkingen van zeevarende compagnieën en van individuele zeevarenden. De collectie bestond onder andere uit een orang-oetang uit Borneo (de eerste in Europa), een chimpansee, de olifanten Hans en Parky, de inmiddels uitgestorven Quagga (soort zebra) en de Mauritius blauwe duif.

Deze menagerie werd beheerd door de natuurhistorisch onderzoeker en curator Aernout Vosmaer (1720 – 1799). Vosmaer liet van alle dieren uit de collectie gedetailleerde tekeningen maken en bundelde deze in het boek Regnum Animale. In 1804 verscheen postuum zijn boek: Natuurkundige beschryving eener uitmuntende verzameling van zeldsaame gedierten, bestaande in Oost- en Westindische viervoetige dieren, vogelen en slangen, weleer leevend voorhanden geweest zynde, buiten den Haag, op het Kleine Loo van Z.D.H. den prins van Oranje-Nassau.

In 1786 verhuisde de menagerie met Willem V mee naar het jachtverblijf Het Loo bij Apeldoorn. Vosmaer bleef achter in Den Haag als directeur van het natuurhistorisch kabinet. Toen Willem V in 1795 naar Engeland vluchtte vanwege de Franse bezetting, werd Vosmaer uit zijn functie ontheven. De dieren uit de menagerie werden net als de overige bezittingen van de stadhouderlijke familie geconfisqueerd door de Fransen en meegenomen naar Parijs. De dieren, waaronder een paar giraffen en de twee olifanten Hans en Parky die ooit waren geschonken door handelaren op Ceylon, werden op schuiten via de binnenwateren naar Parijs verscheept. Daar sleten zij hun laatst jaren in de dierentuin Ménagerie du Jardin des Plantes.

Champsdemarsolifantenwillemv
De intocht van de stadhouderlijke collectie dieren in 1798 op het drilveld van Parijs.

Er ontstonden allerlei verschillende menagerieën in Europa. In de zestiende en zeventiende eeuw kwam er een snelle opmars. Men begon niet alleen meer exotische dieren te houden, er kwamen ook menagerieën die rondtrokken met hun dieren. Deze menagerieën waren niet van koningen of aristocraten. Het waren showmensen die met deze dieren rondtrokken. Zij reisden door Europa en later ook Amerika. Dieren werden tentoongesteld op beurzen en andere evenementen. Hier ligt ook het ontstaan van het circus dat in de negentiende eeuw werd geïntroduceerd. Verschillende menagerieën werden opengesteld voor het grote publiek. Zo kon iedereen de exotische dieren komen bekijken.

Het ontstaan van de dierentuin

De oudste dierentuin van Europa die nog steeds bestaat is de Tiergarten Schönbrunn in Wenen. Deze dierentuin is in 1752 ingericht door de Nederlandse tuinder Adrian van Stekhoven (1705 – 1782) en is ontstaan uit de menagerie van de Habsburgse monarchie. Opdrachtgever van deze keizerlijke menagerie was Franz I, Stephan van Lotharingen, keizer van het Heilige Roomse Rijk (1708 – 1765) en echtgenoot van Maria Theresia van Oostenrijk (1717 – 1780). De dierentuin werd een onderdeel van de tuinen van het paleis Schönbrunn. Deze dierentuin was in eerste instantie alleen bedoeld voor de keizerlijke familie, hun gasten en de adel die aan het hof verbleven. In 1765 werd de dierentuin toegankelijk gemaakt voor het publiek. — Wie de film Sissi heeft gezien, weet misschien nog dat Romy Schneider die de rol van de jonge keizerin Elizabeth van Oostenrijk (1837 – 1898) speelde, op de eerste ochtend in het paleis al heel vroeg in haar nachtjapon en met losse haren van kamer naar kamer loopt, op zoek naar de dieren van de dierentuin waarover ze zoveel gehoord heeft.

In Parijs werd in 1792 een dierentuin binnen de Jardin des Plantes ingericht door de Franse schrijver, ingenieur, wereldreiziger en botanicus Jacques-Henri Bernardin de Saint-Pierre (1737 – 1814). Hierin kwamen dieren van de koninklijke menagerie van Versailles. In 1795 werden hier ook de in beslag genomen dieren van de Nederlandse stadhouder Willem V ondergebracht. Deze nieuwe menagerie was vooral bedoeld om wetenschappelijk onderzoek en educatie te stimuleren.

Animal_artists_at_the_Jardin_des_Plantes magazine l'illustration 7 augustus 1902
Kunstenaars in de Jardin des Plants, in: Magazine l’Illustration van 7 augustus 1902.

Exeter Exchange, Londen

Midden in de stad Londen stond de Exeter Exchange, een gebouw aan de noordzijde van de Strand. Op de bovenverdiepingen van dit gebouw werd van 1773 tot 1828 een menagerie gehouden. De huurders waren eigenaars van een concurrerende menagerie van de koninklijke menagerie van de Tower en van verschillende reizende menagerieën. De Exeter Exchange diende voor sommige dieren als winterverblijf. Er werden onder andere leeuwen, tijgers, apen en andere exotische dieren gehouden. Allemaal zaten ze in kleine kooien en in kleine kamers. Het gebrul van de leeuwen en tijgers kon op straat worden gehoord waardoor het regelmatig voorkwam dat de paarden op straat schrokken van deze geluiden en op hol sloegen.

Exeter Exchange Menagerie
Exeter Exchange menagerie.

De Engelse schrijfster Jane Austen (1775 – 1817) noemt de menagerie van de Exeter Exchange in haar roman Sense and Sensibility (1811): ‘Elinor found that he and Fanny had been in town two days. “I wished very much to call upon you yesterday,” said he, “but it was impossible, for we were obliged to take Harry to see the wild beasts at Exeter Exchange: and we spent the rest of the day wth Mrs. Ferrars. Harry was vastly pleased.”‘

ExeterChangeStrandInterior1812
Interieur en de dieren van de menagerie in de Exter Exchange in 1812.

In de Exeter Exchange stond op een van de bovenverdiepingen zelfs een olifant die Chunee werd genoemd. Chunee was een circusdier dat had opgetreden in de Theatre Royal Dury Lane. Chunee was getraind om geld van de bezoekers in zijn slurf vast te houden en daarna weer terug te geven. De Engelse dichter en schrijver Lord Byron (1788 – 1824) schreef op 14 november 1813 in zijn dagboek over een bezoek aan de Exeter Exchange: The elephant took and gave me my money again, took off my hat, opened a door, trunked a whip and behaved so well that I wish he was my butler.’

Helaas liep het met Chunee niet goed af. Aan het einde van zijn leven werd hij onvoorspelbaar en agressief. Hij had een rotte slagtand die hem veel pijn bezorgde. Op 26 februari 1826 zou Chunee tijdens zijn gebruikelijke zondagse wandeling langs de Strand met zijn bewakers er plotseling vandoor zijn gegaan en daarbij een van de bewakers hebben gedood. Het werd steeds moeilijker om de olifant onder controle te houden. Er werd besloten Chunee af te maken. Een van zijn bewakers probeerde Chunee te doden door zijn eten te vergiftigen, maar Chunee wilde dit niet opeten. Hierna werden soldaten opgeroepen van Somerset House om Chunee met hun musketten neer te schieten. Op commando van zijn bewaker knielde Chunee waarna hij door 152 kogels zou zijn neergeschoten. Chunee zou deze gruwelijke aanval hebben overleefd en uiteindelijk met een harpoen en een zwaard door zijn eigen bewakers zijn afgemaakt.

De gruwelijke dood van Chunee zorgde voor veel ophef bij het publiek. In 1826 werden er in The Times ook al brieven gedrukt die protesteerden tegen de slechte leefomstandigheden van de dieren die in menagerieën werden gehouden. Na de dood van Chunee ging het steeds slechter met de menagerie in de Exeter Exchange. De dieren verhuisden in 1828 en werden ondergebracht in de nieuwe dierentuinen London Zoo in Regent’s Park en de Surrey Zoological Gardens, waar dierenwelzijn hoger in het vaandel stond. Het gebouw Exeter Exchange werd neergehaald in 1829. Op deze plek bevindt zich nu het Strand Palace Hotel.

De moderne dierentuin

Tot het begin van de negentiende eeuw was een menagerie of dierentuin vooral een symbool van status en macht. De ‘moderne’ dierentuin ontstond tegen het einde van de achttiende eeuw en in de vroege negentiende eeuw in steden als Londen, Dublin en Parijs. Deze moderne dierentuinen legden meer focus op educatieve tentoonstellingen voor het publiek, maar dienden tegelijkertijd ook ter vermaak en inspiratie. Er was een groeiende interesse voor kennis van de natuur en zoölogie waar de moderne dierentuinen handig op wisten in te spelen. Daarnaast was er in deze periode ook sprake van een flinke bevolkingsgroei en een toenemende urbanisatie (verstedelijking). Hierdoor ontstond er ook meer vraag naar vermaak dat geschikt was voor een groot en gevarieerd publiek. De dierentuinen bleken hier heel geschikt voor te zijn.

Moderne dierentuinen zijn veel meer gaan doen dan alleen het tentoonstellen van dieren in gevangenschap. Vandaag de dag is er steeds meer aandacht voor educatie en dierenwelzijn. Ook hebben dierentuinen speciale fokprogramma’s die ervoor moeten zorgen dat de verschillende diersoorten in stand worden gehouden.

Artis, Amsterdam

De oudste dierentuin van Nederland staat in Amsterdam. Het Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra, beter bekend als Artis, werd op 1 mei 1838 opgericht door de boekhandelaar Gerardus Frederik Westerman (1807 – 1890), commissionair Johann Wilhelm Heinrich Werlemann (1807 – 1877) en horlogemaker Johannes Wilhelmus Wijsmuller (1806 – 1882). Dit waren drie handelsvrienden die tijdens een bijeenkomst van de Zoological Society te Londen besloten om in Amsterdam een soortgelijke dierentuin te beginnen. Zij brachten hun eigen collecties van opgezette dieren hierin onder en kochten en verkregen een groot aantal andere dieren. Hiermee was de eerste dierentuin van Nederland een feit.

Natura Artis Magistra betekent letterlijk ‘de natuur is de leermeesteres van de kunst.’ Het genootschap had als doel ‘het bevorderen van de kennis der natuurlijke historie op eene aangename en aanschouwelijke wijze.’ Er werden tentoonstellingen, lezingen en concerten georganiseerd. Het Park Orkest en het Orkest van het Paleis voor Volksvlijt gaven concerten in Artis tot 1888, het jaar waarin het Concertgebouw werd gebouwd. Artis werd hierdoor een centrum voor cultuur en dierkunde. Kunst, wetenschap, planten en dieren vormden hier één samenhangend geheel.

De meeste dierentuinen in Europa waren in de negentiende eeuw nog steeds in privébezit. De oprichters van Artis vonden dat het park open moest voor het publiek, hoewel niet voor iedereen. Alleen de leden van het Genootschap kregen toegang tot het park. Gezien de hoge contributie van het lidmaatschap kwamen alleen de rijken hiervoor in aanmerking. Een lidmaatschap van Artis werd hierdoor ook een soort statussymbool voor de gegoede burgerij. Er werd een uitzondering gemaakt voor beeldende kunstenaars. Kunstenaars van de Rijksacademie konden vrijkaarten krijgen voor het park. Vanaf 1851 werden de regels van het genootschap versoepeld waardoor meer mensen de dierentuin konden bezoeken op speciale dagen in september. Voorwaarde was wel dat zij als introducé meekwamen met een lid van het Genootschap.

Dierentuin Artis
Dierenpark Artis.

De eerste collectie van Artis was niet erg spectaculair. Er waren een papegaaien, aapjes, wat herten en een Surinaamse boskat te zien. Daarnaast was er een grote collectie van dieren op sterk water en er waren diverse skeletten te bewonderen. Een jaar later in 1839 kon de collectie dieren worden uitgebreid door de gehele menagerie van kermisexploitant Cornelis van Aken over te nemen. Deze menagerie bestond uit een olifant, leeuwen, een panter, een tijger, een poema, hyena’s, ijsberen, bruine beren, een zebra, lama’s, een gnoe, een kangoeroe en een boa constrictor van meer dan vijf meter lang. Dankzij deze overname werd Artis in één klap een echte dierentuin.

Groote Museum van Artis
Het Groote Museum van Artis.

Behalve dieren toonde Artis ook een groeiende verzameling van zogenaamde ‘dode voorwerpen.’ In de jaren 1850 – 1855 werd hiervoor speciaal het Groote Museum gebouwd. Artis had veel leden die op de Grote Vaart zaten of op een andere manier te maken hadden met Oost- en West-Indië. Dagelijks werden er dieren en fraaie uitheemse voorwerpen aan de collectie toegevoegd. Het huidige gebouw De Volharding was een etnografisch museum dat rond 1900 helemaal vol stond met deze voorwerpen.

Collectie van Artis.
Interieur van het Etnografisch Museum, Artis.

Er waren steeds meer gebouwen en musea nodig om alle geologische en paleontologische giften een goede plaats te geven binnen de alsmaar groeiende collectie. Rond 1900 telde Artis tien musea. Artis had daarnaast ook een eigen bibliotheek die beschikte over prachtige en antiquarische werken. Ook deze verzameling bleef maar groeien.

Artis-bibliotheek-Amsterdam-Archief
Bibliotheek van Artis, door W. Hekking jr., Emrik en Bingen. Bron: Stadsarchief Amsterdam.

Artis vervulde een wetenschappelijke rol als een onderzoekscentrum voor dierkunde. Eind negentiende eeuw werd deze rol overgenomen door de universiteiten. Hierdoor werd Artis genoodzaakt de deuren te openen voor een groter publiek, en hiermee veranderde het culturele en wetenschappelijke karakter van Artis langzaamaan in de veelzijdige dierentuin die het vandaag de dag is.

In de jaren na 1900 ging het steeds minder goed met Artis. Er dreigde zelfs een faillissement in 1939. Er werd besloten om alle bezittingen buiten de levende dieren over te dragen aan de stad Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Artis mocht alle gebouwen en alle grond huren voor het symbolische bedrag van één gulden per jaar. Alle boeken, opgezette dieren, schelpen, mineralen andere bijzondere natuurhistorische voorwerpen werden eigendom van de Universiteit van Amsterdam, net als de dieren wanneer deze overleden waren. De indrukwekkende etnografische collectie was rond 1920 al geschonken aan het pas opgerichte Tropenmuseum.

De oorlogsjaren 1940 – 1945 waren moeilijk voor Artis, zoals deze moeilijk waren voor alle dierentuinen in Nederland. Het is de directie gelukt om de voedselvoorziening voor de dieren in stand te houden. De Duitse soldaten bleken grote liefhebbers van de dierentuin te zijn en bezochten Artis regelmatig. Ze hebben de dierentuin gedurende deze jaren ook gesteund waardoor het mogelijk was om de dieren van voldoende voedsel te voorzien. Wat de Duitsers niet wisten, was dat er in de opslagruimten voor hooi en voer boven de kooien, tientallen onderduikers zaten, waaronder ook Joden.

Duitse soldaten in Artis.
Duitse soldaten in Artis tijdens de bezetting, 1940 – 1945.

Na de oorlog ging het in de jaren ’50 en ’60 gelukkig weer wat beter met Artis. En hoewel Artis in de jaren ’70 een dip kende, ging het de dierentuin in de jaren ’80 en ’90 weer voor de wind. In 1988 werd het 150-jarig bestaan van Artis gevierd met de opening van een nieuw planetarium. Een paar jaar later werd het Geologisch Museum van de Universiteit van Amsterdam op het terrein van Artis gezet. In 1997 kreeg Artis toestemming van de Raad van State om uit te breiden tot aan de oevers van het Entrepotdok. Artis bouwde hier onder meer de savanne voor de giraffe, de zebra’s, gazellen en kleine Afrikaanse dieren. Tevens kwam er een speeleiland, een nieuw restaurant en een tropische kas.

De afgelopen jaren werkt Artis weer aan een maatschappelijke toekomst. Van dierentuin wordt Artis weer een educatief instituut. Artis wil uitgroeien tot het meest toonaangevende instituut op het gebied van natuur. Om dit te bewerkstelligen gaat Artis vernieuwen. Er wordt meer ruimte gecreëerd voor dieren en planten en daarnaast ook voor educatie en erfgoed.

Het Apenhuis, het Vogelhuis en de Fazanterie zijn rijksmonumenten en zijn inmiddels gerestaureerd. Het microbemuseum Micropia is geopend en het Artisplein en de Ledenlokalen zijn toegankelijk gemaakt voor het publiek. Er wordt gebouwd aan een nieuw jaguarverblijf en het olifantenverblijf zal worden uitgebreid. Het Aquarium en het Groote Museum zullen ook in ere worden hersteld. Artis hoopt hiermee in de toekomst het publiek kennis te laten maken met de samenhang der dingen in de natuur.

Noorder Dierenpark, Emmen

Het Noorder Dierenpark opende de deuren op donderdag 27 mei, Hemelvaartsdag 1935. De oprichter van het park was Willem Sjuck Johannes Oosting (1906 – 1983). Oosting was een groot dierenliefhebber. Als kleine jongen wilde hij al directeur worden van Artis. Gelukkig kwam hij uit een bemiddelde familie. Van zijn vader kreeg hij een auto waarmee hij dierentuinen in binnen- en buitenland bezocht. Directeur van Artis worden zat er niet in, maar hij kon wel een eigen dierentuin beginnen. Dit lukte hem dankzij financiële steun van zijn familie en het park werd op grond van de familie gebouwd.

Oosting wilde de dieren in een omgeving laten zien die zoveel mogelijk leek op hun natuurlijke leefomgeving. Dit idee had hij opgedaan dankzij een bezoek aan het Hagenbeck Tierpark in Hamburg. Dit was een modern dierenpark, opgericht door de Duitse dierenverzamelaar en circusexploitant Carl Hagenbeck (1844 – 1913). In 1907 opende het park z’n deuren en het publiek kon hier dieren komen bekijken zonder dat er tralies waren tussen henzelf en de dieren. Dit is wat Oosting ook wilde met zijn eigen dierentuin. Het Noorder Dierenpark bleek een succes. Het trok vele bezoekers naar Emmen, waarmee het de attractie van Drenthe werd.

Natuurlijke leefomgeving voor dieren.
Natuurlijke leefomgeving voor de dieren. Foto: Dierenpark Emmen.

De oorlog (1940 – 1945) was een moeilijke tijd voor dierentuinen. Het was lastig om aan voldoende voer te komen voor alle dieren. Vooral voer voor de roofdieren bleek een probleem. Het kwam voor dat pasgeboren kamelen en bizons werden vetgemest om aan de leeuwen, tijgers, hyena’s en wolven te voeren. Alleen op deze manier konden deze roofdieren worden behouden. Het park bood ook een ideaal toevluchtsoord voor onderduikers. Net als in Artis werd er gretig gebruik gemaakt van de opslagruimten op de zolders van de roofdierenhokken.

Na de oorlog brak er opnieuw een bloeiperiode aan voor het dierenpark, maar in de jaren ’60 liepen de bezoekersaantallen terug. Hiervoor waren verschillende redenen. Met de komst van de auto en vakanties naar het buitenland, kon vermaak verder van huis worden gezocht.

In 1970 werd het hele park gereorganiseerd door de dochter en schoonzoon van Oosting. Er kwam een nieuw concept voor het dierenpark. De nadruk kwam te liggen op educatie en het park zou worden ingedeeld in werelddelen. Dierenparken waren altijd ingedeeld geweest naar diergroepen. Er was een vogelhuis, een apenhuis, een huis voor alle dikhuiden en een huis voor alle roofdieren. In de laatste bijvoorbeeld leefden Afrikaanse leeuwen samen met Aziatische tijgers en Amerikaanse poema’s. Er kwam nu een nieuwe geografische indeling; een Afrikaans gebied, een Amerikaans gebied, een Aziatisch gebied en een Europees gebied. Deze reorganisatie heeft vele jaren in beslag genomen, zo’n vijfentwintig jaar. In 1995 was het hele park ingedeeld in werelddelen met daarin alle dieren die er oorsprong ook in thuishoorden.

De indeling in werelddelen was niet het enige waarin het Noorder Dierenpark zich van andere dierentuinen onderscheidde. Het meest opvallende is de grote rol die educatie in het park speelde. Behalve dierentuin was het park eigenlijk ook ‘een levend museum over de levende natuur.’ Er was een aantal musea en vele kleine exposities. Dankzij al deze vernieuwingen stegen de bezoekersaantallen weer.

Het dierenpark kon echter niet meer groeien. Na jaren van bouwen en uitbreiden waren de grenzen van het park bereikt. Er was al flink gebouwd in de grond aan bijvoorbeeld de onderwaterwereld, tentoonstellingsruimten, nachtverblijven voor dieren en technische ruimten. Er waren gewoonweg geen mogelijkheden meer voor het dierenpark. Er werd besloten een geheel nieuw dierenpark te bouwen. In december 2015 sloot het Dierenpark Emmen voorgoed de deuren.

Wildlands Adventure Zoo, Emmen

Het gloednieuwe dierenpark Wildlands beslaat zo’n 22 hectare grond. Er zijn voor het park nog voldoende mogelijkheden om in de toekomst uit te breiden tot circa 45 hectare. In november 2013 werd met de bouw van het park begonnen. Op 18 maart 2016 is Wildlands Adventure Zoo Emmen geopend door koning Willem Alexander. Vanaf 25 maart 2016 is het park geopend voor het publiek. Emmen heeft opnieuw een primeur wat betreft een nieuwe inrichting van dierenparken.

Het nieuwe dierenpark is ingedeeld in klimaatzones en heeft zes verschillende thematische gebieden, waarvan drie klimaatgebieden: Jungola, Serenga en Nortica. Behalve dieren wordt er ook aandacht besteed aan thematisering en cultuuruitingen door middel van shows, attracties en muziek. Bezoekers aan Wildlands Adventure kunnen op expeditie door de klimaatzones Jungola, Serenga en Nortica.

Jungola is de tropische jungle met weelderige tropische beplanting  en tempelruïnes. Naast exotische dieren biedt Jungola een boottocht, een jungle-trail, een olifantenvallei, een vlindertempel, een bamboedoolhof, een alligator-trail, een otterbeek, een gibboneiland, een makiwoud, een birdy bush en een slingerapeneiland. Serenga is de open hete savanne met relatief weinig beplanting en water. In Serenga zijn de leeuwenberg, de bavianenarena, dogondorp, een goudmijn, termietenheuvels, prairiedogsvlakte, nijlpaardenpoel, wallabyheuvel, stokstaartjeskuil en een woestijn te vinden. Nortica is opgezet als een havengebied met een poolstation en geeft de ijzige polen weer. Er is veel water, rotsen en naaldbomen. In Nortica vinden we onder andere de robbenhaven, de ijsberenbaai, een pinguïnstrand en het poolstation waar onderzoek gedaan kan worden.

Nadruk van dit nieuwe dierenpark is veel meer komen te liggen op educatie, beleving en dierenwelzijn.  Er is gekozen voor sociale diersoorten die in relatief grote groepen en daardoor ook op grote oppervlakten in het park worden gehouden. Daarnaast is er in dit park meer ruimte gekomen voor activiteiten en attracties waardoor het meer weg heeft van een themapark dan alleen een dierentuin. Of dit nieuwe type dierenpark een succes zal worden zal de tijd leren.

Louise Stutterheim

Louise Stutterheim (1980) –
Cultuurhistoricus, onderzoeker, educator, schrijver, redacteur, blogger en filmmaker.

Geef een reactie